| Delft Marketing | |

Met een robot bouwen leerlingen niet alleen technische kennis op, maar ook vertrouwen, creativiteit en nieuwsgierigheid.
 

Hoe zorg je ervoor dat kinderen technologie niet alleen gebruiken, maar ook begrijpen? In Delft begint dat soms met een robot op een basisschooltafel.

Met MIRTE, een robotica-programma van de TU Delft, bouwen en programmeren leerlingen hun eigen robot. Zo ontdekken zij spelenderwijs hoe technologie werkt. Maar achter dat lesprogramma schuilt een groter verhaal: hoe kennis die binnen de universiteit ontstaat haar weg vindt naar de stad.

Als onderdeel van het themajaar The Robots Are Coming laat MIRTE zien hoe technologie niet binnen laboratoria blijft, maar zichtbaar wordt voor een breed publiek. Niet als toekomstmuziek, maar als iets waar kinderen vandaag al zelf mee aan de slag kunnen.

We spraken met Demi van Kampen, voormalig projectcoördinator Robotleerlijn, over de oorsprong van MIRTE, de kracht van samenwerking in Delft en waarom een robot uiteindelijk vooral een middel is.

Robotica zonder drempels

Het idee voor MIRTE ontstond niet in het basisonderwijs, maar binnen de TU Delft. Daar zag bedenker en docent Martin Klomp dat veel studenten robotica als ingewikkeld ervoeren.

"Binnen het roboticaonderwijs zagen we dat studenten vaak met verschillende robots en systemen moesten werken," vertelt Van Kampen. "Daardoor waren ze telkens tijd kwijt aan het leren kennen van een nieuw platform. Dat maakte de stap om zelfstandig met robotica aan de slag te gaan groter dan nodig."

Om die drempel te verlagen ontwikkelde het team een betaalbare, modulaire en open-source robot, met lesmateriaal dat de techniek stap voor stap opbouwt. Toen die aanpak succesvol bleek binnen de universiteit, ontstond een logische vervolgvraag: waarom zouden alleen studenten hiervan profiteren?

Zo groeide MIRTE uit tot een programma dat inmiddels wordt ingezet van basisschool tot universiteit. Daarmee ontstaat een doorlopende leerlijn waarin kinderen al op jonge leeftijd kennismaken met technologie en daar later op kunnen voortbouwen.

Een robot bouwen op de basisschool

MIRTE richt zich specifiek op leerlingen uit groep 6, 7 en 8. Dat is volgens Van Kampen precies de leeftijd waarop kinderen ontdekken waar hun interesses liggen en waarin zij goed zijn. "We willen dat kinderen denken: technologie is ingewikkeld, maar ik kan dit leren."

Door zelf een robot te bouwen en te programmeren ervaren leerlingen hoe mechanica, elektronica en software samenkomen. "Het mooie is dat ze direct resultaat zien. Technologie wordt daarmee iets tastbaars. Niet iets waar je alleen over leest, maar iets wat je zelf kunt maken."

Volgens Van Kampen gaat de opbrengst veel verder dan technische vaardigheden alleen.
"Leerlingen ontwikkelen ook creativiteit, probleemoplossend vermogen, samenwerking en zelfvertrouwen. Ze leren bovendien dat fouten maken onderdeel is van leren. Een robot die niet werkt, is geen mislukking. Het is het begin van een onderzoek."

Waarom dit juist in Delft kan ontstaan

Veel steden investeren in technologieonderwijs. Volgens Van Kampen zit de kracht van Delft vooral in de samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en praktijk.

"De lijnen zijn hier kort. Onderzoekers, studenten, scholen, maatschappelijke organisaties, bedrijven en de gemeente weten elkaar makkelijk te vinden. Daardoor kunnen we snel schakelen, samen experimenteren en het programma verbeteren op basis van ervaringen uit de praktijk."

Die samenwerking is op verschillende niveaus zichtbaar. Het Teach-the-Teacher-programma wordt georganiseerd door het Robotics Institute van de TU Delft en het TU Delft Science Centre, samen met Smart Makers Delft en de deelnemende basisscholen. Daarnaast werken docenten, onderwijsontwikkelaars, robotica-experts, softwareontwikkelaars, ontwerpers, onderzoekers en studentassistenten samen aan de doorontwikkeling van de robot en het lesmateriaal.

Wat daarbij opvalt, is hoe kennis zich door de stad beweegt. Studenten die tijdens hun opleiding met MIRTE werken, begeleiden later zelf basisschoolleerlingen. Onderzoek uit de universiteit wordt vertaald naar lesmateriaal. Leerkrachten bouwen vervolgens verder op die kennis in hun eigen klas. En precies daarin schuilt de kracht van Delft: nieuwe kennis ontstaat hier niet alleen, maar vindt ook haar weg naar de mensen die de toekomst gaan vormgeven.

 “Kinderen horen niet alleen dat Delft een innovatieve stad is, maar ervaren het zelf: Ze bouwen een robot, programmeren gedrag en lossen technische uitdagingen op. Innovatie wordt iets waar ze zelf onderdeel van zijn.” Antwoord Van Kampen op de vraag hoe MIRTE aansluit bij de belofte van Delft als innovatiehub.

Daardoor blijft innovatie niet beperkt tot de campus, maar wordt zij onderdeel van het dagelijks leven in de stad.

Technologie die je kunt ervaren

Volgens Van Kampen ligt de belangrijkste les voor andere steden dan ook niet in de technologie zelf.

"Begin niet met de vraag welke robot je wilt aanschaffen, maar met de vraag hoe je mensen met elkaar verbindt. Als scholen, kennisinstellingen en lokale partners langdurig samenwerken, ontstaat er veel meer dan een techniekproject."

Juist daarin laat MIRTE zien wat Delft kenmerkt. Nieuwe kennis wordt hier niet alleen ontwikkeld, maar ook gedeeld. Van onderzoeker naar student. Van student naar leerkracht. Van leerkracht naar leerling.

En soms begint dat met iets heel eenvoudigs: een kind dat voor het eerst een zelfgebouwde robot ziet bewegen en zich realiseert dat technologie niet alleen iets is wat je gebruikt, maar ook iets waaraan je zelf kunt bijdragen.

Meld ook gratis je basisschool aan!

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het TU Delft Science Centre en het Robotjaar van de gemeente Delft kunnen Delftse basisscholen gratis deelnemen aan het MIRTE-programma voor groep 6, 7 en 8.

Het programma start met een Teach-the-Teacher-training, gevolgd door een kosteloze leerlingenworkshop op school of in het TU Delft Science Centre.

Teach-the-Teacher-training

  • Datum: woensdag 23 september 2026
  • Tijd: 14.30 tot 17.00 uur
  • Locatie: TU Delft Science Centre
  • Deelname: gratis, maximaal twee leerkrachten of techniekcoördinatoren per school

Meer informatie en aanmelden